We moeten iets met water. Nu. En buiten onze comfortzone.

Interview met Hans Cappon

Sinds 2018 is er volgens Hans Cappon iets fundamenteel veranderd. Niet geleidelijk, maar als een omslagpunt. Waar water lange tijd vanzelfsprekend was, is het nu een bepalende factor geworden. ‘Voor 2018 zat 90% van ons werk in de industrie. Inmiddels is dat fiftyfifty met de landbouw. Dat is niet zomaar gebeurd.’

Die omslag heeft alles te maken met droogte. ‘Sinds 2018 waren de meeste jaren droog. En zelfs als er wel genoeg of zelfs te veel regen valt, zoals in 2023, valt het op het verkeerde moment.’

Het valt nog wel. Maar niet wanneer je het nodig hebt.

Op jaarbasis is er zelfs meer neerslag dan vroeger, maar de verdeling is veranderd. ‘Het valt meer in de winter en minder in het groeiseizoen. En soms zelfs in de winter te weinig om op te slaan.’ Dat maakt de situatie grillig en onzeker. ‘We konden het weer redelijk voorspellen. Nu is het een black box. En die onvoorspelbaarheid wordt een gegeven.’

Zeeland heeft geen eigen water

In Zeeland komt daar nog iets bij. ‘We hebben hier eigenlijk geen eigen zoetwater. Alles wat we gebruiken komt van buiten: uit de grote rivieren of uit de ondergrond, als die nog zoet is. Die beschikbaarheid verschilt per gebied. Op sommige plekken kun je nog beregenen uit grondwater. Maar bijvoorbeeld op Schouwen-Duiveland zit je soms na één meter al in het zoute water. Dat merk je direct op het erf. Zeeuwse boeren die normaal gewend zijn in de winter hun bassins vullen vanuit de sloot, krijgen ze nu niet vol. Dan begin je het seizoen al met een achterstand.’

Het systeem wringt

Volgens Cappon zit het probleem niet alleen in het weer, maar in hoe we het systeem hebben ingericht. ‘Onze enige echte zoetwaterbron is drinkwater. En het rioolwater. Afvalwater is vaak nog goed bruikbaar. In Zuid-Europa doen ze dat al tientallen jaren. Wij moeten opnieuw gaan leren hoe we dingen aanpakken.’ Maar er is geen simpele oplossing. ‘Je moet niet op één paard wedden. Opslaan, hergebruiken, en wellicht ontzilten – we hebben het allemaal nodig.’

De rekening ligt bij de boer

Waar het volgens Cappon schuurt, is in de organisatie van het probleem. ‘De boer moet investeren in oplossingen, terwijl het probleem deels maatschappelijk is. Het water is vervuild door ons allemaal. Dan moeten we er ook samen voor zorgen dat het weer schoon wordt voor hergebruik. Dat roept direct vragen op over verantwoordelijkheid en kosten, waarbij je je kunt afvragen of het reëel is dat die kosten alleen liggen bij degene die het water nodig heeft.

Water als vertrekpunt

De manier waarop we naar water kijken, moet fundamenteel anders, stelt Cappon. ‘We hebben water altijd als randvoorwaarde gezien. Maar het moet het vertrekpunt worden. Dat zie je ook terug in beleid. Water en bodem zijn sturend. Dus niet meer: wat willen we hier doen en hoe regelen we het water? Maar: wat kan hier, met deze bodem en het water dat er is?’

We willen wel. Maar we bewegen niet.

Tijdens de Werkplaats wil Cappon het gesprek hierover aanjagen. Maar hij ziet ook waar het vastloopt. ‘Mensen willen wel samenwerken. Dat gaat goed, totdat de regels in beeld komen.’ Daar zit volgens hem de echte uitdaging. ‘Dan trekken we ons terug. Dan zeggen we: dit zijn de regels. En dan bewegen we niet meer mee.’ Zijn oproep is helder. ‘Kom uit je comfortzone. We willen vaak wel veranderen, maar we doen het niet.’ Beweging is volgens hem noodzakelijk. Niet alleen voor boeren, maar voor iedereen die betrokken is bij het watersysteem. ‘De urgentie is er. Nu nog de bereidheid om anders te handelen.’