
Hoe vernat je veenweide en houd je tegelijkertijd een melkveebedrijf overeind?
Duurzame melkveehouderij op veengrond: balans tussen natuur en economie
Met deze vraag centraal is in het voor ARIA voorgedragen project op KTC Zegveld niet één losse maatregel getest, maar een volledig bedrijfssysteem: hogere grondwaterstanden, minder bemesting, een lagere veebezetting, dubbeldoelkoeien, aangepast slootkantbeheer en aandacht voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten. De centrale vraag is steeds dezelfde: kan een melkveebedrijf op veengrond duurzamer worden zonder dat het economische fundament wegvalt?
Een bedrijfssystéém in plaats van één maatregel
Jasper Beek van KTC Zegveld legt uit dat het project begon met twee heel concrete keuzes. “Stap één was het bedrijfssysteem creëren. We hebben het grondwaterpeil verhoogd met waterinfiltratiesystemen en op een deel met greppelinfiltratie gewerkt. Daarnaast hebben we een koppel koeien geselecteerd waarvan wij denken dat die het goed doet in een systeem met een hoger grondwaterpeil, minder krachtvoer en vooral gras.” Daar kwam nog een derde keuze bij: geen kunstmest en geen chemische bestrijdingsmiddelen op het land. “Het land, de weiden, behandelen we als ware het een biologisch systeem. De koeien worden in geval van ziekten als de rest van het vee op KTC op een reguliere manier behandeld, dus we werken niet als een volledig biologisch bedrijf. Dat is voor het onderzoek ook niet leidend, het gaat er nu vooral om wat er op het land en in het bedrijfssysteem gebeurt.”
Water omhoog, opbrengst iets omlaag
Een hoger grondwaterpeil remt veenoxidatie en daarmee bodemdaling en CO2-uitstoot. Maar voor een melkveehouder telt ook wat er op het land gebeurt. “Als je van ongeveer zestig centimeter onder maaiveld naar twintig centimeter gaat, zie je opbrengstverlies. Bij ons, rond dertig centimeter, was dat wat minder. Je krijgt dus iets minder gras.” Op een gangbaar bedrijf betekent minder gras dat voer elders moet worden aangekocht. In het extensieve systeem van KTC Zegveld weegt dat minder zwaar, omdat er minder koeien per hectare worden gehouden. Daarmee verschuift de economische vraag. “Je hebt meer grond en minder opbrengst. En dan ga je ook nog iets doen met die grond waardoor die minder productief wordt. Als je daarmee naar de bank gaat, zegt die niet meteen: goede investering.”
Jasper: “Je kunt economische haalbaarheid niet naast klimaat en natuur zetten, het hoort er middenin. Zonder economische duurzaamheid bestaat andere duurzaamheid ook niet. Als het systeem omvalt omdat er geen geld is om het te onderhouden, heb je uiteindelijk ook niets.”
De koe moet bij het systeem passen
Voor de pilot werd gekozen voor de Groninger Blaarkop, een dubbeldoelras dat van oudsher in het veenweidegebied voorkomt. “Dat is een koe die met veel gras goed voor zichzelf kan zorgen. Ze geeft niet per se superveel melk. Maar als je weinig krachtvoer wilt geven, wil je juist een koe die goed in conditie blijft.” Dat de Blaarkop ook meer vleeswaarde heeft dan een hoogproductieve melkkoe kan onderdeel zijn van het verdienmodel. Niet één opbrengst maximaliseren dus, maar kijken wat in het geheel past. Dat typeert het project: techniek, management, dierkeuze, waterbeheer en economie worden niet los van elkaar bekeken.
Waarom veenweide zo weinig uitwijkmogelijkheden heeft
Juist in de veenweiden is de combinatie van duurzaamheid en verdienvermogen urgent. Jasper: “Het veenweidegebied is voornamelijk geschikt voor grasteelt en een paar natte teelten. Maar voor veel van die natte teelten is er nog geen echt verdienmodel. Wij testen bijvoorbeeld lisdodde. Op dit moment krijg ik daar mijn oogstkosten van vergoed, maar de teeltkosten nog niet. Een route kan zijn om rond kwetsbare natuurgebieden met minder dieren, minder bemesting en meer biodiversiteitsmaatregelen te werken. Zo halen we de landbouw niet uit het gebied, maar krijgt zij een wat andere functie die ook waarde heeft voor de maatschappij of het milieu.”
Grond afwaarderen om anders te kunnen boeren
Jasper: “Uit de eerste fase komt naar voren dat het bedrijfssysteem onder voorwaarden redelijk dicht bij een zelfstandig verdienmodel kan komen. Een belangrijke voorwaarde is grond. Die moet beschikbaar én passend geprijsd zijn. Een provincie kan grond kopen en die voor een lagere prijs doorverkopen aan een agrariër, met voorwaarden erbij: minder stikstof, geen chemische bestrijdingsmiddelen, geen kunstmest, een hoger grondwaterpeil en bepaald slootkantbeheer.”
Die lagere grondprijs is de compensatie voor minder productiemogelijkheden en extra eisen. Rekensystemen kunnen bepalen hoeveel opbrengst wordt ingeleverd of welke extra kosten ontstaan. “Daarom neemt die grond met een bepaald percentage in waarde af. Dat was ook het doel van het onderzoek: als we met deze beheersmaatregelen werken, wat houden we dan over aan gewasopbrengst en verdienvermogen?”
Ecosysteemdiensten zijn werk
Naast grondwaarde gaat het om betaling voor ecosysteemdiensten. Slootkantbeheer is daar een tastbaar voorbeeld van. Een boer kan een slootkant strak maaien, maar kan ook later maaien, delen laten staan of koeien gecontroleerd laten grazen. Dat laatste leverde in de pilot verhelderende inzichten op. “Helemaal niets doen is leuk voor een jaar. Daarna krijg je een paar sterke soorten die gaan winnen. Dan onderdruk je juist de soortenrijkdom. Af en toe begrazing blijkt juist gunstig. Een koe eet vooral gras weg. Daardoor komt er weer licht bij de bodem en kunnen andere zaden ontkiemen. Zulke maatregelen vragen wel extra werk, aangepaste machines of een andere manier van beweiden. Die dienst die de boer levert om biodiversiteit te ontwikkelen, moet ook betaald worden. Hij heeft er onkosten aan.”
In de huidige fase experimenteert KTC Zegveld met dynamisch slootkantbeheer. Met GPS kan worden aangegeven welke delen een koe wel of niet mag betreden, bijvoorbeeld om bijzondere planten te beschermen. Zo kan het beheer preciezer worden afgestemd op wat er op een perceel groeit.
De praktijk overtuigen vraagt tijd
Hogere grondwaterstanden roepen bij landbouwers nog steeds weerstand op. Jasper: “De oudere generatie is opgegroeid met het idee: je moet zorgen dat je land droog is en zo goed mogelijk ontwaterd. Dan zeggen wij nu: je moet het water juist omhoog brengen. En je gaat daar niet eens meer gras van groeien. Dat druist in tegen hoe de agrariër van oudsher werkt. Wat je ziet is dat je jongere boeren er eerder open voor staan.”
Praktijkproeven helpen omdat ze laten zien wat een maatregel werkelijk doet. Ook de draagkracht van de bodem blijkt genuanceerder dan veel mensen verwachten. Bij waterinfiltratie blijft de bovenlaag in de zomer vaak droog genoeg voor landbouwmachines. Greppelinfiltratie is goedkoper, maar vraagt meer aandacht omdat zones rond de greppel natter blijven en koeien de doorstroming kunnen verstoren.
Nog niet klaar: de bodem verandert langzaam
De eerste projectfase is afgerond, maar het onderzoek loopt door. Een belangrijke reden is dat de bodem tijd nodig heeft om zich aan een lager bemestingsniveau aan te passen. Jasper: “De grond waar we deze proef op draaiden, was voor de start vrij rijk bemest. De opbrengst in de eerste jaren kan dus nog deels het resultaat zijn van wat voor de proef is gebeurd.”
Daarom wil KTC Zegveld weten wanneer de bodem zijn nieuwe evenwicht bereikt. “Uit ander onderzoek weten we dat dat vijf tot zeven jaar kan duren. Als je nu zegt: we verliezen maar een paar procent opbrengst, en over vijf jaar blijkt dat veel meer te zijn, dan verandert het economische verhaal natuurlijk.”
Ook de droogte van afgelopen zomer maakt het systeem actueler. Een hoger grondwaterpeil betekent in droge perioden meer watervraag. “We vernatten niet extra, maar er gaat wel meer water de grond in. Als iedereen dat gaat doen, is de vraag of er genoeg water beschikbaar is.” Daarmee raakt de pilot direct aan keuzes van waterschappen over landbouw, natuur én stedelijk gebied.
Kennis moet verder dan Zegveld
De resultaten worden gedeeld via agrarische vakbladen, de website, veldagen en het eindrapport. Daarbij richt KTC Zegveld zich niet alleen op de melkveehouders, maar ook op beleidsmakers, provincie, waterschap en andere onderzoekers. Jasper: “Je hoopt altijd dat zo’n rapport gelezen wordt. Daarom betrekken we nu ook partijen die meekijken of het onderzoek dicht bij de praktijk blijft en die de kennis verder kunnen verspreiden.”
Dat past bij de waarde van de pilot: niet bewijzen dat één maatregel overal werkt, maar laten zien wat er gebeurt als verschillende doelen op één bedrijf bij elkaar komen. “De combinatie is het belangrijkste: maatregelen testen, kijken wat het effect is en wat dat uiteindelijk economisch betekent.”
Meer over het project
Project: GLB-pilot Extensief veenweidenverdienbedrijf
Organisatie: KTC Zegveld
ARIA-categorie: Smart & competitive agriculture
Website: https://www.ktczegveld.nl/
Projectinformatie: https://wiki.groenkennisnet.nl/space/NPP/1246691425/GLB-pilot+Extensief+veenweidenverdienbedrijf
De eerste fase van de pilot liep van 2021 tot en met 2023. Het vervolgonderzoek kijkt onder meer naar de langetermijnontwikkeling van bodem, grasopbrengst en biodiversiteit.