
“Een voederhaag hoort als je het mij vraagt in het ANLb”
Jan Woudstra over levende afrasteringen als apotheek, biodiversiteit en leren van boer tot boer
Acht Nederlandse projecten zijn voorgedragen voor de Agricultural and Rural Inspiration Awards 2026 (ARIA), de Europese inspiratieprijzen voor landbouw en platteland. Met ARIA zet het EU CAP Network projecten in de schijnwerpers die met steun vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid laten zien hoe vernieuwing, duurzaamheid en een leefbaar platteland er in de praktijk uitzien. In deze interviewreeks maken we kennis met de mensen en ideeën achter de Nederlandse voordrachten. Eind oktober wordt bekend of en zo ja, welke projecten op de Europese shortlist staan.
Boeren in balans: voederhagen en agroforestry bij Woudstra’s Pleats in Menaam, is het project van Jan en Johanneke Woudstra. Zij laten op hun biologische melkvee- en vleesveebedrijf zien hoe een haag tegelijk afrastering, bron van mineralen, beschutting en leefgebied kan zijn. Wat begon met het vervangen van een stalen vangrail door een levende haag groeide uit tot een praktijkvoorbeeld waar inmiddels veel andere landbouwers naar komen kijken.
Van vangrail naar levende haag
Als je Jan vraagt wat een voederhaag precies doet krijg je geen technisch verhaal over soorten en plantafstanden, maar een vergelijking met een hond: “Als een hond ergens last van heeft, zie je ze uit zichzelf gras eten. Niet omdat het zo lekker is, maar omdat het blijkbaar iets doet wat goed voor hem is. Zo eten koeien af en toe riet, terwijl dat normaal helemaal niet zo smakelijk is. Ik denk dat een koe diezelfde soort kennis heeft van wat ze nodig heeft.” Dat idee vormt de basis van de voederhaag. Koeien krijgen verschillende struiken aangeboden en kunnen daar zelf van vreten. Niet als hoofdvoer – een koe eet tientallen kilo’s gras per dag – maar als aanvulling. Jan: “De haag is niet de hoofd voedingsbron, maar vult aan als het gaat om mineralen en voedingsstoffen. Eigenlijk is het een natuurlijke apotheek voor de koe.”
Op Woudstra’s Pleats kreeg die haag nog een tweede functie. De stalen vangrail langs het erf was praktisch, maar ook lelijk. De nieuwe haag werd zo aangelegd dat hij uiteindelijk ook als levende afrastering kon dienen: “Vroeger, voordat er prikkeldraad was, werden hagen ook gevlochten en gelegd. Dan groeiden die takken als het ware in elkaar en kreeg je een levend hekwerk. Dat was precies onze gedachte: het hek weghalen en er iets voor terugzetten waar de koeien ook nog van kunnen eten.”
Daar is wel geduld voor nodig. Een jonge haag moet eerst voldoende sterk worden voordat de koeien erbij kunnen. Jan rekent op ongeveer vijf jaar. Daarna kan de afrastering verdwijnen en ontstaat een haag die niet alleen op twee manieren functioneel is, maar ook merkbaar ander leven aantrekt als vogels en vlinders.
Een open landschap, maar niet zonder discussie
Een haag planten in het open Friese landschap is niet vanzelfsprekend. Toen Johanneke voorstelde om de vangrail door een haag te vervangen, botste dat aanvankelijk met zijn eigen beeld van het landschap: “Ik ben hier opgegroeid met: uitzicht is mooi. Als je kilometers vér kunt kijken, is dat goed. Dus toen mijn vrouw met die haag kwam, dacht ik ook: zo ben ik niet opgevoed…”.
Ook vanuit landschap en weidevogelbeheer kwamen vragen. Hoge opgaande beplanting kan in open weidevogelgebied ongewenst zijn. De oplossing zat voor Jan in het laag houden en beheren van de haag, zoals dat ook in traditionele heggenlandschappen gebeurt: “Je hoeft er geen bos te maken. Je kunt een haag laag houden en rond het erf inpassen. Dan blijft het open landschap herkenbaar, maar voeg je wel enorm veel biodiversiteit toe. Die discussie is niet erg. Integendeel: ze maakt zichtbaar dat een landschap nooit stilstaat. Als ik een stukje land niet maai, staan er over een aantal jaren vanzelf berken. De natuur is altijd onderweg.”
De kracht zit in de variatie
De keuze van de soorten is geen kwestie van zomaar wat struiken planten. Johanneke stelde met deskundigen een soortenlijst samen op basis van de inhoudsstoffen en mineralen in verschillende planten. Ook grondsoort en beheer spelen mee. Jan: “De kunst is om variatie aan te bieden. Je kijkt naar wat op klei kan, wat op zand kan en ook naar hoe je die haag wilt beheren. Staat hij bijvoorbeeld naast de kuil, dan wil je geen soorten met doorns die gaten in je plastic maken.”
De hagen op Woudstra’s Pleats bestaan daarom uit verschillende soorten. Juist die afwisseling maakt ze interessant voor koeien én voor vogels, insecten en andere dieren: “Vorig jaar zat hier een roodpootvalk bij de haag te jagen. Dat vind ik echt bijzonder. Je ziet gewoon wat voor biotoop je maakt. Dat is de kracht van de natuur.”
Boeren geloven boeren
Woudstra’s Pleats is inmiddels ook demonstratieplek. Landbouwers komen er voor bedrijfsbezoeken en ontwerpsessies. Samen worden kaarten op tafel gelegd en wordt gekeken waar een haag op het eigen bedrijf zou kunnen passen. Jan en Johanneke gaan soms ook naar bedrijven toe om mee te denken.
“Het leuke is dat de boeren die hier komen het meestal al wíllen. Een paar jaar geleden moesten we vooral uitleggen wat een voederhaag was. Nu hebben veel mensen er al over gelezen of gehoord en komen ze om er echt een plan van te maken.”
Volgens Jan werkt kennisdeling van boer tot boer juist omdat er geen verkoopverhaal achter zit: “Op een landbouwbeurs wordt je van alles verteld. Koop dit, gebruik dat. Daar zit heel veel marketing achter. Maar als ik bij een collega kom en die zegt: dit werkt bij mij goed, dan geloof ik dat sneller. Die heeft er geen belang bij mij iets aan te praten; hij deelt gewoon zijn ervaring.” Diezelfde logica ziet hij bij onderzoek. Een rapport kan aantonen dat iets werkt, maar het gaat volgens hem pas echt leven als landbouwers het op een bedrijf zien. “Als een onderzoek zegt dat iets kan, is dat mooi. Maar als je op het erf komt waar ze het werkelijk doen en ziet dat het bedrijf gewoon draait, dan landt die kennis veel beter.”
Niet alleen voor de “groene voorhoede”
De bezoekers van Woudstra’s Pleats zijn volgens Jan nadrukkelijk niet alleen biologische landbouwers of ondernemers die al jaren met natuurbeheer bezig zijn. De belangstelling is breder. Daarbij merkt hij dat vrouwen op het bedrijf geregeld een belangrijke rol spelen in de keuze om hagen aan te planten.
“Ik zie soms dat de boer meteen rekent: hoeveel oppervlakte raak ik kwijt, hoeveel mestplaatsingsruimte kost het en hoeveel onderhoud komt erbij? En dan zegt zijn vrouw: maar kijk eens hoeveel vogels we straks hebben. Dat gesprek tussen economie en ecologie is eigenlijk heel mooi. Ja, de haag neemt wat ruimte in en vraagt onderhoud, maar een perceel daarnaast kan gewoon landbouwgrond blijven. Het hoeft elkaar niet te bijten.”
De regels kunnen enthousiasme ook afremmen
Dat neemt niet weg dat landbouwers praktische vragen hebben. Hoeveel onderhoud vraagt een haag? Welke soorten zijn veilig voor vee? Heb je een vergunning nodig? En wat gebeurt er als een haag eenmaal formeel als landschapselement is vastgelegd?
“Als je iets aanplant en daarna het gevoel krijgt dat je er nooit meer iets aan mag veranderen, dan schrikt dat af. Een boer wil over tien jaar misschien een doorgang veranderen of een stal aanpassen. Je moet het aantrekkelijk maken om zo’n haag aan te leggen en te houden, niet meteen alles dichtregelen.”
Jan noemt ook het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Voor bestaande struweelhagen geldt dat vee er juist van weg moet worden gehouden. Dat botst met het principe van een voederhaag, waarbij de koeien er juist van mogen eten. Hij zou graag zien dat daar op termijn een passende beheervorm voor komt.
“Waarom zou je een boer niet ook kunnen belonen voor een voederhaag? Je kunt berekenen wat de aanleg kost, hoeveel oppervlakte je kwijt bent en hoeveel beheer erin zit. Als we biodiversiteit belangrijk vinden, dan is dit toch ook een dienst die je levert? Als er blad aan zit, vangt zo’n haag natuurlijk ook CO2 uit de lucht. Ik zie zelf dat wat vlak bij de stal staat harder groeit dan verderop. Dat maakt het interessant om ook te kijken wat hagen rond stallen kunnen betekenen.”
Ook buiten de veehouderij kunnen hagen volgens hem een rol spelen, bijvoorbeeld bij akkerbouw voor biodiversiteit, erosie en het aantrekken van nuttige insecten. Daar ligt niet zijn eigen expertise, maar binnen agroforestry-netwerken is daar steeds meer kennis over beschikbaar.
Landbouw en natuur weer meer met elkaar verbinden
Wat Jan uiteindelijk hoopt dat andere landbouwers overnemen, is niet alleen de haag zelf. Het gaat hem minstens zo veel om een andere manier van kijken: “Ik hoop dat we landbouw en natuur weer wat meer met elkaar verbinden. Die zijn in de discussie vaak uit elkaar getrokken, terwijl het in de praktijk één landschap is. Een kampioenschap heggenvlechten op het erf laat zien hoe sterk die verbinding kan zijn. Boeren, vakmensen en natuurorganisaties stonden er letterlijk naast elkaar aan dezelfde haag te werken.
Er wordt makkelijk gezegd dat boeren niets willen. Maar als je dan om je heen kijkt en ziet hoeveel boeren nieuwsgierig zijn en mee willen doen, klopt dat beeld gewoon niet. Boeren willen best veel voor natuur doen, als het maar praktisch kan en als het bedrijf ook kan blijven bestaan.”
Daar ligt voor hem ook de bredere betekenis van de voederhaag. Natuur- en landschapsbeheer kan een tweede inkomstenstroom worden en daarmee ruimte geven om minder intensief te produceren.
“Als je aan de ene kant minder op alleen productie wilt sturen, dan moet er aan de andere kant ook iets te verdienen zijn met wat je voor landschap, biodiversiteit en dierenwelzijn doet. De voederhaag past daar heel mooi in.”
Meer over het project
Project: Farmers in Balance: fodder hedges and agroforestry at Woudstra’s Pleats
ARIA-categorie: Environmental protection
Initiatiefnemers: Jan en Johanneke Woudstra, Woudstra’s Pleats in Menaam
Meer informatie: Woudstra’s Pleats | Groen Kennisnet
Over de voordracht: Dit project is een van de acht Nederlandse voordrachten voor ARIA 2026. Eind oktober wordt bekend welke projecten op de Europese shortlist staan.