‘We willen boeren waarderen voor wat zij bijdragen aan de gezondheid van de samenleving’

Acht Nederlandse projecten zijn voorgedragen voor de Agricultural and Rural Inspiration Awards 2026 (ARIA), de Europese inspiratieprijzen voor landbouw en platteland. Met ARIA zet het EU CAP Network projecten in de schijnwerpers die met steun vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) laten zien hoe vernieuwing, duurzaamheid en maatschappelijke waarde in de praktijk vorm krijgen. In deze interviewreeks maken we kennis met de mensen en ideeën achter de Nederlandse voordrachten. Eind oktober verwacht Netwerk Platteland van de organisatie te horen of projecten doorgaan naar de Europese shortlist.

Een van die voordrachten is het Agri-Health Outcome Payment Model (AHOPM). Het project brengt werelden bij elkaar die meestal los van elkaar werken: landbouw, gezondheid, wetenschap en financiering. Via ‘Voedsel op Recept’ krijgen mensen met diabetes- type 2 biologische voeding en begeleiding. Tegelijk onderzoekt het consortium of de gezondheidswinst die daarmee wordt bereikt, kan worden vertaald naar een financieringsmodel dat ook de boer beter beloont. Anne van de Peppel aan het woord.

Van de financiële wereld naar de biologische landbouw

Van de Peppel is medeoprichter van Stichting HarvestCare, de organisatie die het consortium voor AHOPM bij elkaar bracht. Haar route naar landbouw en gezondheid begon in de financiële wereld. Ze studeerde bedrijfskunde en werkte voor een investeringsplatform. Daarna zegde ze haar baan op om biologische landbouw in Denemarken te gaan studeren.

‘Tijdens mijn opleiding heb ik op veel boerderijen stagegelopen, ook internationaal. Eigenlijk zag ik overal hetzelfde probleem: boeren die biologisch of regeneratief werken en het goed willen doen voor hun omgeving, en desalniettemin een kwetsbaarder verdienmodel hebben. Dat maakt het moeilijk op de lange termijn.’

Het was die ervaring die haar op het idee bracht om haar financiële achtergrond te verbinden met landbouw. ‘Ik dacht: als we de vraag naar de producten van deze boeren kunnen stimuleren én daar een ander verdienmodel aan kunnen koppelen, dan kan dat helpen.’ Samen met medeoprichter Zuzanna Zielinska begon ze Stichting HarvestCare, met als missie landbouw en gezondheidszorg met elkaar te verbinden.

Waarom biologisch?

HarvestCare kiest binnen het programma Voedsel op Recept bewust voor lokale biologische en regeneratief geproduceerde voeding. Daar liggen twee gedachten onder. De eerste gaat over de kwaliteit van de bodem en de voedingswaarde van het product. Van de Peppel is daar voorzichtig in: onderzoek naar de precieze relatie tussen bodemleven en nutriëntendichtheid is nog volop in ontwikkeling: ‘Er zijn studies die laten zien dat een hogere microbiële activiteit in de bodem samen kan gaan met een hogere nutriëntendichtheid. Maar dat betekent niet dat alleen biologisch goed kan zijn. Een gangbare boer die heel goed voor zijn bodem zorgt, kan dat ook. Het bewijs is nog in ontwikkeling. Net als de studies rondom pesticide en de link naar gezondheid. Dit sluit aan op de tweede reden, die breder is.’

De tweede reden is breder. ‘Wij kijken ook naar planetaire gezondheid. Voor een gezond voedselsysteem heb je een weerbaar landbouwsysteem nodig, met biodiversiteit en schoon water. Daarom kiezen wij voor biologisch: omdat we gezondheid niet alleen zien als de gezondheid van de mens, maar ook van de bodem en de planeet.’

Voedsel op recept: meer dan een doos met groenten

Het meest zichtbare onderdeel van AHOPM is Voedsel op Recept. Mensen met type 2-diabetes in Rotterdam en Den Haag krijgen gedurende zes maanden wekelijks een voedselbox met biologische producten. De box is plantaardig, seizoensgebonden en samengesteld met aandacht voor een lage glycemische belasting. Van de Peppel: ‘Onze deelnemers krijgen recepten, kookworkshops en begeleiding van een diëtist. We schrijven niet voor: dit móét je eten. Er doen mensen uit verschillende culturen mee en we willen juist dat ze binnen hun eigen eetcultuur kunnen blijven koken. We geven richtlijnen en producten, maar ook vrijheid. Zodra iets als een streng dieet voelt, gaat de motivatie vaak snel naar beneden.’

De box wordt afgestemd op de grootte van het gezin. Dat is bewust: ‘Niet alleen de deelnemer, maar vaak het hele huishouden eet mee.’ Volgens Anne zit de kracht bovendien niet alleen in de voeding. ‘Het is het totaal. Je hebt kookworkshops, je ziet elkaar iedere week, er is een check-in moment. Mensen merken van elkaar dat ze door dezelfde fases gaan. Motivatie is geen rechte lijn. Soms gaat het goed en soms heb je een terugval. Dan helpt het enorm dat je het niet alleen hoeft te doen.’

Wat verandert er bij deelnemers?

Omdat Voedsel op Recept onderdeel is van een wetenschappelijke studie, worden deelnemers gevolgd door Erasmus MC. Er is een interventiegroep en een controlegroep. De eerste resultaten zijn volgens Anne bemoedigend, maar het onderzoek loopt nog en de wetenschappelijke analyse moet de uiteindelijke conclusies onderbouwen. ‘Na drie maanden zagen we dat de langetermijnwaarde voor de bloedsuiker bij de interventiegroep was gedaald en bij de controlegroep niet. Beide groepen waren afgevallen. We zien ook andere voordelen. Niet alleen deelnemers die meerdere kilo’s zijn kwijtgeraakt, er zijn mensen bij die in overleg met hun behandelaar minder medicatie gebruiken, en veel deelnemers voelen zich fitter en energieker. Er is meer rust gekomen rond eten. ‘Voor sommigen nam die constante “food noise” af: steeds bezig zijn met wat je wel of niet mag eten, of stress hebben over boodschappen. Als je handvatten krijgt en weet waar je op kunt letten, geeft dat ook mentale ruimte.’

Van de eerste ronde leerde het team dat abrupt stoppen met de voedselbox niet werkt. ‘Dan vallen mensen terug in oude patronen.’ Daarom krijgen deelnemers na afloop nog enkele maanden ondersteuning om de overstap naar zelf kiezen en boodschappen doen geleidelijker te maken. Daarna volgt opnieuw een meetmoment: houden de nieuwe gewoonten stand als het programma stopt?

Van voedselbox naar boerderij

Opvallende momenten in het project zijn de bezoeken van deelnemers aan de biologische bedrijven die producten leveren. Daar komen producent en consument letterlijk tegenover elkaar te staan.

‘Voor de boeren was het leuk om te zien voor wie ze eigenlijk produceren. En deelnemers hoorden waarom die boeren biologisch werken, hoe ze met de bodem omgaan en waar ze in de teelt tegenaan lopen.

Een deelnemer vertelde dat haar moeder na de verhuizing uit Suriname altijd had gezegd dat groenten in Nederland anders smaakten en dat biologisch voor haar het meest ‘naar thuis’ smaakte. ‘Vroeger vond ze dat een beetje onzin, maar nu ze de pakketten zelf kreeg, proefde ze verschil. Het gesprek was ook heel praktisch: mensen met een moestuin vroegen wat de boer doet tegen slakken. Je zag ineens hoeveel gemeenschappelijks er is.’

Ook een bezoek aan een kas maakte indruk. ‘Een tomatenplant in een kas wordt een struik en onze deelnemers kregen veel respect voor de mensen die daar werken, zeker op een warme dag. Daardoor ontstaat besef over de moeite die gedaan moet worden voor het eten.’ Een aantal deelnemers besloot na afloop, met tijdelijke ondersteuning, zelf een groentepakket te blijven afnemen.

Wie betaalt voor preventie?

Met deze vraag komt het gesprek bij het tweede spoor van AHOPM: de financiering. Want als gezonde voeding aantoonbaar bijdraagt aan minder ziekte en lagere zorgkosten, wie betaalt dan voor die waarde? En kan een deel daarvan terechtkomen bij de landbouwers die de producten leveren?

Anne noemt het resultaatfinanciering. ‘Je kijkt eerst welk probleem je probeert op te lossen. In ons geval is dat onder meer het terugdringen van diabetes en het voorkomen van extra zorgkosten. Vervolgens kijk je welke waarde de interventie oplevert: bijvoorbeeld een lagere HbA1c, minder medicatie of een betere kwaliteit van leven. Daar kun je financiële waarden aan koppelen.’

Het idee is dat een impactinvesteerder de uitvoering vooraf financiert. Een resultaatbetaler - bijvoorbeeld een gemeente, verzekeraar of andere partij die baat heeft bij de uitkomst - betaalt terug wanneer vooraf afgesproken resultaten daadwerkelijk zijn bereikt. ‘Zo probeer je een financieringsmodel voor preventie te maken. Niet één partij hoeft vooraf het hele risico te dragen.’ Juist daar zit ook de moeilijkheid. De opbrengsten van preventie landen niet netjes bij één organisatie. Gemeenten, zorgverzekeraars, patiënten, werkgevers en de samenleving kunnen er allemaal baat bij hebben. ‘We zien daarom niet één resultaatbetaler. We proberen inzichtelijk te maken wie waar voordeel heeft en wie kan welk deel dragen?’

Een systeem dat vooral zorg vergoedt

De gesprekken met zorgverzekeraars maken duidelijk hoe lastig de financiering is. ‘Een verzekeraar is in de eerste plaats ingericht op het vergoeden van geleverde zorg. Preventie, het voorkomen van zorg, ligt voor een groot deel bij gemeenten. En voeding wordt al snel gezien als iets van de voedselomgeving of van de overheid, niet als zorg.’

Ook de jaarlijkse mogelijkheid om van zorgverzekeraar te wisselen maakt investeren in preventie ingewikkeld: de partij die nu investeert, weet niet zeker of zij jaren later ook profiteert van de lagere zorgkosten. Voor Anne raakt dit aan een grotere vraag. ‘We zeggen vaak dat de zorg in Nederland goed geregeld is, en dat is op veel punten ook zo. Maar uiteindelijk wil je als samenleving graag gezond zijn. Als overgewicht en diabetes blijven stijgen, moet kun je je afvragen of het systeem voldoende op gezondheid is ingericht.’

Kennis delen over de grenzen van sectoren heen

AHOPM is nadrukkelijk ook een kennisproject. Het consortium organiseert webinars over Food is Medicine, voeding en gezondheid, nutriëntendichtheid en de financiering van preventie. In het Agri-Health Action Lab worden landbouw, zorg, overheid, wetenschap en financiën bij elkaar gebracht om gezamenlijk te verkennen wat nodig is om de aanpak groter te maken. Daarnaast worden de resultaten wetenschappelijk onderzocht en gedeeld via artikelen, blogs, podcasts, interviews en sociale media. In november organiseert HarvestCare de Agri-Health Summit in Amsterdam, waar nationale en internationale sprekers verder praten over de verbinding tussen landbouw en gezondheidszorg.

Anne: ‘We proberen voortdurend die werelden met elkaar in gesprek te krijgen. Want als iedereen alleen naar zijn eigen stukje kijkt, komt dit niet van de grond.’

‘De boer kan ook worden gezien als iemand die gezondheid levert’

Voor opschaling zijn volgens Anne twee dingen nodig: stevig klinisch bewijs én een financieringsstructuur die ook in andere regio’s of landen kan worden toegepast. Maar minstens zo belangrijk is het onderliggende gedachtegoed. ‘Voor ons gaat het uiteindelijk om het zien en ervaren van de verbinding tussen landbouw en gezondheidszorg. De boer wordt nu vaak vooral gezien vanuit uitstoot en problemen. Als je dat kunt verbreden naar: deze boer draagt ook bij aan gezondheid, of de producten die hier worden geproduceerd leveren gezondheid op, dan verandert er iets. Dat zou voor ons een heel mooi resultaat zijn.’

AHOPM loopt van 2025 tot en met 2028. Het project is vanuit Nederland voorgedragen voor ARIA 2026 in de categorie ‘Socio-economic fabric of rural areas’. Eind oktober wordt bekend welke Europese projecten worden geselecteerd voor de shortlist.