Marleen van Oorschot is 28, bijna 29, en al drie jaar voorzitter van de Zeeuwse jonge boeren, het ZAJK. Niet omdat ze dat van tevoren had bedacht, maar omdat ze erin rolde. ‘Ik wilde eigenlijk gewoon in het bestuur om te kijken hoe dat werkt, die belangenbehartiging. Maar toen was er geen voorzitter en zo ben ik er een beetje ingerold.’

Het ZAJK mengt zich in het gesprek over de landbouw. In het hier en nu, maar vooral ook voor de lange termijn. ‘Met de ZAJK willen we meepraten over beleid dat direct raakt aan het dagelijks werk van de jonge boeren op het erf. Je kan wel zeggen dat je het ergens niet mee eens bent. Maar je kan jezelf ook in de positie zetten dat je er iets aan kan doen.’

Niet langs de zijlijn blijven staan

Dat is precies wat Marleen drijft. Niet afwachten, maar kijken waar ruimte zit om invloed uit te oefenen. ‘Je komt in gesprek met provincie, met waterschap. Je bouwt een netwerk op. En je hoopt dat je een boodschap achterlaat waar ze iets mee doen. En natuurlijk, dat lukt niet altijd. Het is een lastig apparaat, de overheid. Maar dat is geen reden om het niet te proberen.’

Zorgen én kansen bij jonge boeren

Als ze kijkt naar de generatie jonge boeren om haar heen, ziet ze twee kanten. Aan de ene kant onzekerheid en frustratie. ‘Beleid is gericht op de korte termijn en vaak onduidelijk. Er komt veel op ons af. Boeren ervaren dat ze vaak de schuld krijgen, de veroorzaker zijn van de dingen die misgaan. Dan is het als jonge boer soms moeilijk om gemotiveerd te blijven.’

Aan de andere kant ziet ze ook kansen. ‘We hebben hier een prachtig land. Nederland is een van de meest vruchtbare delta’s ter wereld. Je kan hier hele mooie gewassen telen in een vooruitstrevend landbouwland.’

Anders denken en samenwerken

Wat deze generatie volgens haar typeert, is dat ze anders probeert te kijken en bewuster met de bodem omgaat. ‘Hoe kan het wel? Hoe benut ik mijn stikstofruimte zo goed mogelijk? We werken meer met organische mest en kijken beter naar wat de bodem nodig heeft.’

Daar hoort samenwerking bij. ‘Ik heb die veehouder nodig voor mest en hij mij voor voer. Als je dat goed organiseert, kan je samen een heel mooi systeem creëren.’

Willen, maar ook kunnen

De wil om te veranderen is er. Daar twijfelt ze niet aan. ‘Iedereen wil wel dingen verbeteren.’ Maar de praktijk is weerbarstig.

De grootste rem is onzekerheid. ‘Vandaag is het A en morgen kan het B zijn. Maar als jij hebt geïnvesteerd op A, kan je niet zomaar omschakelen.’ Dat maakt keuzes ingewikkeld. ‘Je praat over grote bedragen. Investeringen voor tientallen jaren. Dan heb je wel duidelijkheid nodig.’

Beleid en markt moeten samen optrekken

Ze ziet ook dat beleid soms doorschiet. ‘Voor de teelt van eiwitrijke gewassen kreeg je in de ecoregeling veel punten. Dan zie je dat iedereen daarmee aan de slag gaat. Maar die markt was uiteindelijk kleiner dan het aanbod en dan stort de prijs in.’

Hetzelfde geldt voor biologische landbouw. ‘Dat wordt gestimuleerd, maar als de vraag er niet is en het verdienmodel niet voldoende is, stoppen ondernemers er weer mee.’

De kern volgens Marleen: beleid en markt moeten samen bewegen. ‘Je kan niet de sector omzetten als de consument niet meebeweegt.’

Wat helpt om in beweging te komen

Wat werkt dan wel? ‘Een financiële prikkel helpt het meest. Niet omdat boeren alleen daarvoor bewegen, maar omdat de marges klein zijn. We willen best, maar het moet wel uit kunnen.’

Gerichte regelingen, bijvoorbeeld voor jonge boeren, kunnen dan net het verschil maken. ‘Dat helpt wel, als je bij de verdeling vooraan staat en mee kan doen.’

Als bestuur heeft het ZAJK actief contact gezocht met provincie en waterschap. ‘We merken dat we vaker worden uitgenodigd en een plek aan tafel krijgen. Dat is essentieel. Dat je daar mag zitten en je mening kunt geven. Dat beleid niet alleen óver je gaat, maar ook mét je wordt gemaakt.’

Eco-regeling in de Zeeuwse pers

De afgelopen weken haalde de beoordeling van subsidieaanvragen de Zeeuwse pers. ‘Er zijn veel aanvragen afgewezen. Je merkt dat mensen dan denken: laat maar zitten. Het kost veel werk en je krijgt er niks voor.’

En dat is precies wat je niet wil, zegt ze. ‘Iedereen wil op zich wel dingen verbeteren. Maar hoe richten we het met elkaar zo in dat het ook werkbaar blijft?’

Daar zit voor haar de opgave. Ruimte geven aan kritiek, maar het gesprek niet laten vastlopen. ‘Je mag best zeggen dat dingen niet lekker lopen. Maar kijk ook: hoe moet het dan wel?’

Oproep: blijf met elkaar vooruitkijken

Dat is ook wat ze meeneemt naar de Werkplaats. ‘Dat we met elkaar nadenken: wat heeft de boer nou echt nodig de komende jaren? Hoe zorgen we ervoor dat we het nuttig, haalbaar en uitvoerbaar maken? Dan blijft het aantrekkelijk om mee te doen.’

Haar hoop is dat het gesprek daar niet blijft hangen in wat er misgaat, maar dat er ook stappen vooruit worden gezet. ‘Het zou mooi zijn als je aan het einde kan zeggen: dit hebben we met elkaar verbeterd.’

Aanmelden voor de Werkplaats 'Landbouw in 2050' op 20 & 21 mei kan tot en met 12 mei via deze link.